dinsdag 14 maart 2017

De dood van een huisdier



De dood van een huisdier

Het is vaak de eerste dood waarmee we als mens echt worden geconfronteerd. Als een opa of oma sterft - of nog erger: een ouder - worden we als kind zoveel mogelijk ontzien. Toen mijn vader stierf moest ik vreselijk huilen, vooral omdat ik aanvoelde dat er iets mis was, niet omdat ik precies begreep wat er was gebeurd. Ik kreeg te horen dat hij naar de hemel was, en omdat ik pas vier jaar oud was, wilde ik de belofte dat ik hem daar ooit zou terugzien graag aanvaarden. Iedereen was trouwens ook plots heel aardig tegen me, en een tante schonk me de speelgoedtijger waarmee ik op bezoek bij haar altijd speelde, maar die ik tot mijn spijt steeds bij haar had moeten achterlaten.

Bij een huisdier is het vaak anders. We krijgen uitleg over leven en dood, krijgen te horen dat we de dood moeten aanvaarden, de dingen gaan nu eenmaal zo, en morgen kopen we een nieuwe hond, of kat. Maar als kind wil je geen andere hond, je wil Flor, of hoe je grote vriend ook heette, en je begrijpt het ook niet. Doodgaan doe je toch alleen als je heel oud bent? En zo oud was Flor toch niet? Op vakantie aan zee sprong hij nog vrolijk rond in de branding. Goed, dat is drie jaar geleden, maar zelf ben je toch ook niet veranderd in die tijd?

Morire è nulla, perderti è difficile, schreef de Italiaanse dichter Umberto Saba. Vrij vertaald: Sterven is niets, afscheid nemen doet pijn. Mensen die weten dat ze gaan sterven, voelen vaak de leegte die zij in een ander leven zullen achterlaten en vragen daarom aan sterke nabestaanden om goed voor een zwakke en hulpbehoevende persoon te zorgen. De hond van een vriendin ligt op sterven, ligt letterlijk op sterven, en het is alsof zij weet wat er staat te gebeuren, zich bewust is van haar eigen sterfelijkheid en de leegte voelt die haar dood in enkele levens zal slaan. Een vergroeiing vlak onder het oog lijkt op een parelende traan. De vriendin sliep twee nachten beneden, op een matras aan haar zijde. Afscheid nemen doet pijn, je ziet er enorm tegenop, maar je wilt de laatste minuten van een geliefde op aarde voor geen goud missen, nog één keer zeggen hoeveel je van hem of haar gehouden hebt.

Floor
Waar iemand die sterft heengaat, weten we niet. Velen van ons hebben het idee van een hiernamaals laten varen, maar we blijven zoeken naar licht in de eeuwige duisternis. De wetenschapper Pim van Lommel ontwikkelde een theorie over een oneindig bewustzijn, waarop wij allen, mens en dier zouden zijn aangesloten en ook aangesloten zullen blijven. Op die theorie valt wellicht het een en ander af te dingen, maar dat is voor een andere keer, het blijkt vaak een troostrijke gedachte voor hen die voor het ultieme afscheid staan. Waar we ook heen gaan, onze mooie herinneringen zullen in de eeuwigheid worden opgevangen door degenen van wie we hebben gehouden. Afscheid nemen wordt minder pijnlijk, als we weten dat we niet zullen worden vergeten.

De hond van mijn vriendin heette niet Flor, maar Floor. Ik ben er zeker van dat zij niet zal worden vergeten.

- Voor Maureen

Links:





donderdag 17 november 2016

Kimduiking



Kimduiking

Kimduiking, is dat een jongedame genaamd Kim die een duik neemt?

Welnee flauwerik, het is de denkbeeldige lijn tot waar men het aardoppervlak kan zien, oftewel, met een ander mooi woord: de gezichtseinder. De kromming van het aardoppervlak zorgt ervoor dat we slechts een beperkt deel van dat aardoppervlak kunnen zien, na de einder of kim verdwijnt het aardoppervlak uit het zicht. De aarde verbergt als het ware zichzelf. In de Oudheid was dit één van de sterkste aanwijzingen dat de aarde geen platte schijf kon zijn. Er wordt vaak gedacht dat het idee van een platte aarde standhield tot diep in de Middeleeuwen, of zelfs later, maar in werkelijkheid wisten de Oude Grieken al beter. In 350 v. Chr. schrijft Arististoteles in zijn werk DeCaelo (289a: 1-9):

„ (...) het aanzien [van de sterrenhemel] verandert indien men naar het zuiden of noorden reist; er zijn in Egypte en in de omgeving van Cyprus sterren waargenomen, die niet zichtbaar zijn in noordelijker streken (...). Dit alles wijst er op dat de aarde rond moet zijn, maar ook dat zij een bol is van vrij geringe afmetingen, anders zouden de verschillen in waarneming niet merkbaar zijn na een relatief kleine verplaatsing als deze.“

Aristoteles was, net als ieder ander, een kind van zijn tijd. Zoals de meeste van zijn geleerde tijdgenoten, geloofde hij in een ronde aarde om esthetische redenen: de cirkel was immers de ideale geometrische vorm. Gelukkig ruimde Aristoteles in zijn denken ook plaats in voor directe waarnemingen. Uiteindelijk selecteert hij drie waarnemingen die niet kunnen worden verklaard met de theorie van een platte aarde:

* Wie naar het zuiden reist, ziet de sterren hoger boven de horizon
* Tijdens een maansverduistering is de schaduw van de aarde rond
* Van een schip dat wegvaart van de kust, verdwijnt eerst de romp achter de horizon

Dat laatste argument heb ik vaak gehoord en gelezen; op de afbeelding hiernaast wordt het verschijnsel op een alleraardigste wijze geïllustreerd, alleen is er het nodige mis met de verhoudingen en zou men daaruit kunnen concluderen dat een schip wel een zesde van de aardomtrek - zo’n 6.000 kilometer - uit de kust dient te varen voordat het volledig aan het zicht zal zijn onttrokken. Zo erg is het natuurlijk niet. Maar hoe ver dan wel? Anders gezegd: hoe krom is de kromming van de aarde? Hoe ver is de kimduiking van ons oog verwijderd?

Wie om zich heen kijkt, meent een platte aarde waar te nemen. In mijn jeugd oriënteerde ik me tijdens eenzame fietstochten op de kerktorens in de verte. Ik herkende die torens en wist bij welk dorp ze hoorden. Ik herinner me niet dat ik ooit heb waargenomen dat één van de toren gedeeltelijk achter de horizon was gezakt. De aarde die ik waarnam - op sommige plaatsen zag je wel drie of vier torens om je heen - leek zo plat als een pannenkoek. Dat roept de vraag op of Aristoteles - of een tijdgenoot - wel ooit kan hebben waargenomen dat een schip langzaam achter de einder verdwijnt? Hoe zit dat nu?

Het is moeilijk te geloven, maar er bestaan nog steeds genootschappen die de theorie van de platte aarde propageren. Of het allemaal serieus is bedoeld laat ik in het midden, maar op de site van één zo’n genootschap vond ik een 'sacred text'  waarin haarfijn wordt uiteengezet dat wij ons allemaal door de wetenschap hebben laten beetnemen. Ik ga er hier verder niet op in, maar voor wie nog gelooft in de platheid van de aarde: U staat er niet alleen voor, er zijn mensen die u steunen.

Maar goed, back to business. Bij de berekening van de kimduiking dient met veel dingen rekening gehouden te worden, niet alleen met de kromming van de aarde, maar ook met de ooghoogte van de waarnemer (wie hoger staat kan verder zien) en de refractie, de breking van de lichtstralen. Bij een ooghoogte van 1,75 meter, de gemiddelde ooghoogte voor een volwassen persoon, is de kimduiking 4,7 kilometer. Dat is verrassend klein, kleiner dan de afstand tot sommige kerktorens uit mijn jeugd, die dus wel degelijk gedeeltelijk onder de horizon waren gezakt, zij het vermoedelijk slechts enkele millimeters of centimeters. De aarde is een stuk krommer dan we denken.


Er zijn diverse redenen waarom de kimduiking wordt overschat: alleen de voet van een kerk en de romp van een schip verdwijnen, stukje bij beetje, achter de einder, toren en mast blijven geruime tijd zichtbaar, en wat zichtbaar is, valt voor ons gevoel binnen de gezichtseinder. Op een afstand van 18 kilometer, steekt een 115 meter hoge toren - sommige torens van kathedralen halen of benaderen dat - nog altijd 90 meter boven de horizon uit. En verder heeft men vrijwel nergens vrij zicht op de horizon, het uitzicht wordt altijd wel gehinderd door enige bebouwing of begroeiing.

De kimduiking neemt aanvankelijk sterk toe met de gestegen ooghoogte. Wie op het dak gaat staan, kijkt twee keer zo ver. Veel mensen worden op uitzichttorens vaak verrast door de schijnbare nabijheid van de dorpen in de omtrek: op de fiets ben je al gauw een half uurtje kwijt, nu lijk je vanuit je positie zo op de dichtstbijzijnde kerktoren te kunnen springen. Later vlakt dit verschijnsel af: de verhouding tussen hoogte en gezichtseinder is wortelafhankelijk: men moet dus vier keer zo hoog klimmen om twee keer zo ver te kunnen kijken. Om tien keer verder te kunnen zien, zal men dus honderd keer hoger moeten klimmen. Op het hoogste punt van Nederland, de Vaalserberg (321 meter), ligt de zichtbare horizon op 64 kilometer. Verder valt er in Nederland niet te kijken, de rest is luchtfietserij.


Maar nu even zonder gekheid: Aristoteles kan hebben waargenomen wat hij naar eigen zeggen had waargenomen. Zelfs zonder telescoop. Bij helder weer moet hij, staande aan de kustlijn, turend in de verte, hebben gezien hoe de romp van het schip achter de horizon zakte, beetje bij beetje, totdat alleen de mast zichtbaar was, en ook die ... stukje ... bij ... beetje verdween. 


Opmerkingen:

De Caelo is on-line beschikbaar in een Engelse vertaling

Voor refractie en vergelijkbare verschijnselen, zie ook: Dr. M. Minnaert, De Natuurkunde van het Vrije Veld (on-line beschikbaar) 


vrijdag 14 oktober 2016

Nobele Winnaar, Glorieuze Verliezers



Het is gebeurd (met de prijs?) 


In tegenstelling tot natuurkunde of scheikunde is literatuur iets waar iedereen verstand van denkt te hebben, en dus leidt de bekendmaking van de laureaat door de Zweedse Academie ieder jaar weer tot de nodige discussies. Dit jaar zullen die nog heviger zijn, omdat de winnaar voor het eerst iemand is die niet uit de schone letteren zelf voortkomt, maar uit de popmuziek. De uitspraken waarmee ik de bovenstaande afbeelding heb verluchtigd, heb ik in de afgelopen vierentwintig stuk voor stuk opgetekend uit de mond van schrijvers, journalisten, bekenden.

Een vriend van me, Herman Jacobs, plaatste de volgende tekst van Harry Mulisch op Facebook:

"Als je de Nobelprijs wilt devalueren moet je 'm aan Dylan geven. Dan is het gebeurd met die prijs. Zo is het toch? Hij maakt aardige liedjes, maar het is de inhoud die telt en Dylan is wat dat betreft niet goed genoeg. Dan kun je die onderscheiding beter aan Leonard Cohen geven [...]"

Mulisch vindt Cohen blijkbaar meer geschikt dan Dylan (een mening die wel vaker wordt gehoord) maar de wending 'Dan kun je die onderscheiding beter aan Leonard Cohen geven' klinkt toch een beetje zuur. Goed, liever Cohen dan Dylan, maar eigenlijk liever helemaal geen zanger. Cohen was in literaire kringen overigens ook niet onomstreden. In Daar is het gat van de deur, noemt Gerrit Komrij hem oud wijf en nog een heleboel dingen meer:

"Neuzelaar Cohen, zo wist ik van horen zingen, was de Canadese Humperdinck, de Quebecse Hoes, het Zingend hart van Montreal, en omdat zijn teksten Engels waren, werden ze inderhaast gestencild en voor poëzie aangezien, een reusachtige vergissing (...)" (*1)

Komrij doet deze uitspraken in een recensie van een door Cohen geschreven roman, Beautiful Losers, in 1974 blijkbaar in het Nederlands vertaald als Glorieuze Verliezers. Cohen publiceerde daarnaast ook nog dichtbundels, maar mocht hij de Nobelprijs voor literatuur hebben ontvangen, dan zou hij die te danken hebben gehad aan zijn teksten voor songs als Suzanne en So Long, Marianne, niet voor zijn proza of poëzie. Voor Dylan geldt hetzelfde: uit zijn memoires blijkt volgens Marc Didden dat Dylan goed kan schrijven (*2). Kan zijn, maar de prijs dankt hij aan zijn muziek, of beter: zijn songteksten.

Alleen aan de songteksten? In diverse artikelen worden minder vleiende woorden gewijd aan zijn zangcapaciteiten. Een krakende stem die wel eens gierend uit de bocht ging. Maar hoe zit het met de muziek? Een nummer als One More cup of Coffee (van het album Desire, 1976) telt een paar aardige verzen, maar is moeilijk voorstelbaar zonder de muziek. Zouden we de volgende tekst een tweede blik waardig keuren, indien ze niet werden gezongen?

Your sister sees the future
Like your mama and yourself
You've never learned to read or write
There's no books upon your shelf
And your pleasure knows no limits
Your voice is like a meadowlark
But your heart is like an ocean
Mysterious and dark


(Tekst loopt onder de clip door)



One more Cup of Coffee is geen uitzondering. Dylan is wel een 'songsmid' genoemd, iemand die goed ambachtelijk werk aflevert maar vaak terugvalt op rijmelarij. In Like a Rolling Stone laat hij vier opeenvolgende verzen rijmen via de woorden out/about/loud/proud. Het werkt, maar alleen als je het hem hoort zingen, en het werkt mede dankzij het ritme en de hypnotische orgelriff. Deze riff was geen idee van hemzelf (maar van de sessiemuzikant Al Cooper) en werd pas in een laat stadium toegevoegd, omdat Dylan ontevreden was over het arrangement. Anders gezegd: hij ging niet altijd impulsief te werk (en was ook geen dictator die de creativiteit van anderen onderdrukte, iets wat hem ook weleens is aangewreven).


A song and dance man


Op de vraag of hij zichzelf als een dichter zag, antwoordde Dylan zelf ooit: I'm a song and dance man. Dit soort uitspraken voeden mede de gedachte dat hij als singer-songwriter per definitie niet in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor literatuur. Volgens de dichter Dirk van Bastelaere is het Nobelprijscomitee

"(...) een pad ingeslagen vanwaar geen terugkeer mogelijk is. Voortaan moet de integrale tekstproductie van de globale cultuurscene in overweging worden genomen." (*3)

Door Dylan te bekronen, ligt de weg volgens Van Bastelaere nu open voor auteurs van filmscripts of - wie weet - stripverhalen (die hebben meestal ook tekst). Andere schrijver zitten op dezelfde lijn: volgens Abdelkader Benali devalueren we de prijs door Dylan de Nobelprijs te geven. Jeroen Olyslaegers noemt het ironisch dat Dylan een literatuurprijs wint, omdat liedjesschrijver en auteur twee verschillende beroepen zijn. Benali en Olyslaegers haasten zich overigens om Dylan te prijzen (blijkbaar om kritische geluiden te smoren), Olyslaegers noemt zich een Dylanfan, Benali vindt Dylan zelfs groter dan de Nobelprijs. Te groot voor de Nobelprijs, het is toch wel een geheel nieuw inzicht.


Waarom nu?


Hoe men het ook wendt of keert, de Nobelprijs voor Dylan is revolutionair. Dylan werd al jaren genoemd als mogelijke winnaar, maar weinigen hielden er rekening mee dat hij daadwerkelijk zou worden gelauwerd; men vermoedde dat de Academie deze stap niet zou durven zetten, en in het verleden was dit wellicht ook zo. Waarom durfde de Academie deze stap nu wèl aan?

In zijn recente studie Als mijn geheugen me niet bedriegt (*4), beschrijft Douwe Draaisma, hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie aan de universiteit van Groningen, een eigenaardig verschijnsel dat bij onderzoekers bekend staat als de reminiscentiehobbel: als oudere mensen wordt gevraagd om de belangrijkste herinneringen op een rijtje te zetten, blijken deze herinneringen zich op te hopen tussen het vijftiende en dertigste levensjaar. Ook in autobiografieën is een dergelijke hobbel doorgaans aan te wijzen. Deze hobbel, zo blijkt uit studies, heeft ook invloed op de popmuziek die door een persoon wordt gewaardeerd. Draaisma spreekt van een popvenster: het zicht op de popmuziek van de gemiddelde persoon wordt begrensd door het vijftiende en dertigste levensjaar. Door dit verschijnsel spreken mensen van muziek 'uit hun eigen tijd'.

Academies zoals de Zweedse (en de Franse) zijn doorgaans bejaardenhuizen. Een blik op de lijst van huidige leden leert dat er weliswaar enkele jongere personen deel uitmaken van het gezelschap, maar dat het gros van de leden personen zijn die vóór 1950 zijn geboren, mensen die zijn opgegroeid met de muziek van Dylan. zijn songs vallen, anders gezegd, binnen hun popvenster, de herinneringen aan hem, maken deel uit van de reminiscentiehobbel. In het verleden durfden de leden van de Academie waarschijnlijk de stap om iemand als Dylan te bekronen niet te zetten, of vonden zij de tijd daarvoor nog niet rijp. De huidige leden hadden echter de juiste (rijpe) leeftijd bereikt voor deze stap.

Mijn Dylan


Fans  van het eerste uur geven doorgaans de voorkeur aan Dylans vroege werk, daterend uit de tijd dat hij nog de protestzanger was, en ook de man die de traditie van een songwriter als Woody Guthrie verbond met die van de auteurs van de Beat Generation. Die tijd valt buiten mijn reminiscentiehobbel en mijn houding tegenover legendarische albums als als The Freewheelin' Bob Dylan en Highway 61 Revisited is nog altijd een beetje ambivalent. Geheel in overeenstemming met de theorie, geef ik de voorkeur uit het werk uit zijn middenperiode, met name de jaren Zeventig, met albums als het reeds vermelde Desire en Blood on the Tracks (1975). Van zijn latere werk is Time out of Mind uit 1997 (met onder meer het prachtige Not Dark Yet) een persoonlijke favoriet. Voor de beste nummers en de beste verzen moet je soms goed zoeken. Van een album als Desire kennen de meeste mensen vooral een song als Hurricane, maar de echte pareltjes liggen verscholen in de hoeken en vouwen van de plaat, daar waar de groeven overgaan in het label. Wat te denken van de volgende verzen:

Oh sister when I come to knock on your door
Don't turn away you'll create sorrow
Time is an ocean but it ends at the shore
You may not see me tomorrow.




Noten:

* (1) Gerrit Komrij, Een Joyce voor Teenagers, in: Daar is het gat van de deur, Uitgeverij Synopsis,  1974, p. 190
* (2) Marc Didden, De zang- en dansman die ook schrijver bleek, De Morgen, 14-10-2016
* (3) Geplaatst op Facebook
* (4) Douwe Draaisma, Als mijn geheugen me niet bedriegt, Historische uitgeverij, Groningen 2016, p. 97-104



donderdag 29 september 2016

Een deuntje, zonder melodie, geluidloos



Een week of wat geleden ving ik ergens een deuntje op dat me sindsdien voortdurend heeft bezig gehouden, omdat ik het wel kende - zelfs heel goed kende - maar niet kon thuisbrengen. Hoe identificeer je een deuntje? Je kunt in Google wel zoeken op tekst en sinds kort ook op afbeelding, maar hoe zoek je op muziek? Je kunt natuurlijk het deuntje neuriën, in de hoop dat iemand het herkent. Maar het gekke was dat het deuntje niet kreeg geneuried. Zoals je soms een bekend gezicht niet voor de geest kunt halen, zo kon ik dit deuntje niet voor de neurie halen. Het was aanwezig in mijn hoofd, heel nadrukkelijk, maar zonder melodie, geluidloos. Een vreemde ervaring.

Vanmiddag, op weg naar de tandarts, schoot me de titel van het deuntje spontaan te binnen: She Likes Weeds. Dat was het! En onmiddellijk was ook de neurie weer beschikbaar.

Ad Visser
She Likes Weeds was een hit van de groep Tee Set; het nummer bereikte de eerste plaats in de Top 40 van Veronica en ook de eerste plaats in de lijst van het TV-programma Toppop, gepresenteerd (op dinsdagavond als ik me niet vergis) door Ad Visser, een man die grossierde in gigantische en foeilelijke brillen. Het was de tweede grote hit van de groep, na Ma Belle Amie, dat in de Verenigde Staten zowaar de vijfde plaats in de Bilboard Hot 100 had bereikt. Omdat She Likes Weeds het in Nederland nog beter deed dan Ma Belle Amie, dacht men er ook aan de overkant van de oceaan mee te scoren, maar de tekst viel aldaar verkeerd: er werd verondersteld dat 'weeds' een verwijzing was naar druggebruik en het nummer werd verboden.

Het gezicht van de groep was de zanger Peter Tetteroo; hij had geen grote stem maar wel weelderige blonde lokken en fraaie bakkebaarden en was mede daardoor nogal populair bij de vrouwtjes (hardnekkige geruchten wilden overigens dat hij homoseksueel was). Hij was niet het muzikale brein; dat was Hans Van Eyk, een conservatoriumstudent met een goede neus voor makkelijk in het gehoor liggende deuntjes, die later nog hits zou gaan schrijven voor onder andere Marco Borsato en Helmut Lotti. Op een gespecialiseerde site worden Van Eyck en Tetteroo beiden genoemd als componisten van She Likes Weeds, dus ik vermoed dat de laatste fungeerde als tekstdichter (*1). Het was in elk geval Tetteroo die een oplossing meende te hebben gevonden voor het verbod van het nummer in de VS: volgens hem verwees de titel niet naar drugs, maar had hij de woorden toevallig opgevangen bij het zien van een film. De Amerikanen geloofden die verklaring niet, al bleef Tetteroo volhouden dat het zo en niet anders was gegaan.

Peter Tetteroo
Ik heb de leden van Tee Set één keer ontmoet, aan het eind van de jaren zeventig. Ik kluste in die periode in de weekends wat bij voor een impresario uit het zuiden van het land. De groep probeerde een come back te maken, omdat de centen die waren verdiend met She Likes Weeds ergens in een bodemloze put waren verdwenen. Van Eyk maakte geen deel meer uit van het gezelschap, maar Tetteroo wel. Ik vroeg hem naar de herkomst van de titel en hij lepelde braaf het verhaal op van de dialoog en de film, maar na enig aandringen mijnerzijds gaf hij toe dat hij het allemaal niet meer zo goed wist. Ook de titel van de film was hij vergeten, en tot op de dag van vandaag bestaat er blijkbaar verwarring over (*2).

Met die come back wilde het niet vlotten, maar Tetteroo zou tot aan zijn dood met de band blijven optreden - en een aardige grijpstuiver verdienen - op nostalgische 'sixties avonden'. Ik ontdekte deze middag pas dat hij in 2002 op 55-jarige leeftijd is overleden aan leverkanker.

En dan nu het nummer:





Noten:

* (1) Zie: https://www.discogs.com/Tee-Set-She-Likes-Weeds/release/1699775

* (1) De Engelstalige Wiki-pagina houdt het op The Ipcress File, maar dit wordt tegengesproken op de Nederlandstalige pagina, waar de titel Funeral in Berlin naar voren wordt geschoven.  Volgens Marc Brillouet, op zijn site Hitriders, worden de woorden gesproken door Michael Caine in de film The Ipcress File, zie: http://hitriders.be/songs/she-likes-weeds/


woensdag 10 augustus 2016

Tom Swifty



Nee, dit opstel gaat niet over kolonialisme, racisme of discriminatie van de donkere medemens, maar over een bepaald soort zinnen. De tekst op de afbeelding (*1) is zo'n zin. Het bijzondere van dit soort zinnen is dat er een bijwoordelijk verband bestaat tussen wat wordt gezegd en hoe het wordt gezegd. Het verband is bij voorkeur een beetje kronkelig, omdat het bijwoord of een term van de bijwoordelijke bepaling oneigenlijk is gebruikt:

Leve de vrijheid, riepen de Kongolezen gebelgd

Gebelgd zijn betekent immers erg boos, verontwaardigd zijn, maar iedereen denkt daarbij - ten onrechte en toch ook weer niet zonder reden - aan de Belgen: de Kongolezen waren immers gebelgd omdat ze niet vrij waren, en ze waren niet vrij omdat de Belgen in Kongo zaten.

Ik weet niet of er in het Nederlands een term voor bestaat, maar in het Engels heten zulke zinnen Tom Swifties, genoemd naar Tom Swift, het hoofdpersonage uit een reeks SF-romans rond een jonge uitvinder (*2). De schrijver van de reeks is Edward Stratemeyer, een man die volgens Wikipedia meer dan 1300 titels (!) op zijn naam heeft staan, vrijwel uitsluitend kinderboeken. Zijn bekendste schepping is de jonge vrouwelijke detective Nancy Drew; naar men zegt is Hillary Clinton een fan van de reeks.

De archetypische Tom Swifty is blijkbaar: "We must hurry, said Tom swiftly." Die zin beviel Stratemeyer zo goed dat hij zijn boeken vervolgens doorspekte met gelijkaardige zinnen, waarbij iedere uitspraak gevolgd werd door een bijwoord (eindigend op -ly) of een bijwoordelijke bepaling. Stratemeyer had blijkbaar niet de opzet om grappig of spitsvondig te zijn, het waren anderen die de kwinkslag introduceerden als een onmisbaar ingrediënt van een onvervalste Tom Swifty. Veel Swifty's hebben daarbij een grimmige ondertoon of zijn dubbelzinnig van aard. Eén van de beroemdste Swifties (duidelijk niet afkomstig uit een kinderboek) is:

I can't make up my mind about homosexuality, said Tom half in earnest.

Oscar Wilde kende reeds the importance of being earnest. Merk dat hoofdletters en/of kleine letters van minder belang zijn dan mogelijke dubbelzinnigheid. Het aardige is ook dat deze Swifty probleemloos naar het Nederlands kan worden omgezet, iets wat zelden voorkomt.

In het Nederlandse taalgebied is het genre van de Tom Swifty onder meer beoefend door Rudy Kousbroek en Battus, een pseudoniem van Hugo Brandt Corstius. Op het wereldwijde web vond ik ook een aantal Tom Swifty's die worden toegeschreven aan een zeker Broekhuis (ook een pseudoniem van Brandt Corstius? Of is het de beruchte Henk Broekhuis?). Het genre werkt blijkbaar aanstekelijk en er is zelfs een speciale site waar men eigengemaakte Tom Swifty's naartoe kan sturen. Velen voelen zich echter geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Een Tom Swifty is niet zo moeilijk te verzinnen, maar de kunst is om er iets bijzonders mee te doen. Bij een verkiezing kwam ooit de volgende Tom Swifty van Battus als winnaar uit de bus:

Hemeltje, zei Hij opstandig

Het is trouwens opvallend dat de Bijbel - of meer in het algemeen religie - als inspiratiebron fungeert voor enkele van de beste voorbeelden. Ook heel geestig zijn de volgende twee, Bijbels geïnspireerde Swifty's van Kousbroek:

Het leek wel een walvis, zei Jonas binnensmonds
Eli Eli, Lama Sabachtani, riep Hij hangerig

Er zal ongetwijfeld ook wel wat met Mohammed of de Koran zijn aan te vangen, maar ik heb nog geen Mo Swifty's weten te traceren.

Enkele andere Nederlandse voorbeelden:

Mijn moeder was maagd, zei Tom kribbig  [Battus]
Ik ben de Venus van Milo, fluisterde zei onhandig  [Kousbroek]
Man overboord, zei de kapitein voortvarend  [Kousbroek]
Dat rijst de pan uit, riep de zendeling aangebrand  [Kousbroek]
Deze cup is te klein, sprak ze rondborstig  [Kousbroek]
Ik heb je tuk, zei hij achterwaarts  [Kousbroek]
Eigenlijk wilde ik begraven worden, zei hij verstrooid [Broekhuis]
Vroeger toverde ik er zo een konijn uit, sprak hij ontgoocheld [Broekhuis]

Plus een nagekomen Sylvia Swifty:
We moeten amputeren, zei de chirurg botweg


Noten:

* (1) De spotprent werd oorspronkelijk gepubliceerd in het satirische magazine Punch.
* (2) Het type zin werd in het Nederlandse taalgebied geïntroduceerd door Rudy Kousbroek, maar hij tastte in het duister omtrent de herkomst van de term. Uit een artikel dat hem door een lezer werd toegestuurd, leidde hij abusievelijk af dat een auteur van kinderboeken was. Kousbroek verzon geen aparte Nederlandse term. Zie: Rudy Kousbroek, De Logologische Ruimte, Meulenhoff, 1984, p. 127. 


zondag 22 mei 2016

Joske




Gaston Berghmans (11 Maart 1926 - 21 Mei 2016)  

De gisteren overleden Vlaamse komiek Gaston Berghmans en zijn compaan Leo Martin leerde ik pas kennen nadat ik op volwassen leeftijd naar Vlaanderen was verhuisd. In Nederland zijn Gaston & Leo nooit doorgebroken. In de jaren zeventig hadden ze soms gastoptredens in showprogramma’s, maar daarbij waren ze gedwongen om hun accenten te laten vallen (Gaston spraak Aantwerps, Leo Hents) en in het ABN voelde met name Berghmans zich niet op zijn gemak.

Waarschijnlijk maakte ik te laat kennis met het duo. Gaston en Leo leken me komieken die je beter waardeert wanneer je ze als kind leert kennen. In sommige commentaren werd Berghmans vergeleken met Toon Hermans, maar de volkse humor die hij - samen met Martin - bracht, stond dichter bij komische duo’s als Johnny & Rijk en (meer nog) de Mounties, Piet Bambergen & René Van Vooren: als kind vond ik die leuk, later niet meer zo erg, maar ik bleef geamuseerd naar ze kijken omdat ze me als kind aan het lachen hadden gemaakt.

Gaston & Leo vond ik, anders gezegd, niet zo leuk, ook al ontdekte ik onmiddellijk dat met name Berghmans een komisch natuurtalent was. Het probleem was vermoedelijk het gebrek aan goed materiaal. Uit programma’s als The Voice van ... blijkt dat er in Vlaanderen (en elders) voldoende artiesten zijn met een goede zangstem, maar creatief talent, mensen die een goede song kunnen schrijven, zijn schaars. Op andere gebieden speelt hetzelfde probleem: net als Gaston Berghmans waren bijvoorbeeld Johnny Kraaijkamp en Piet Bambergen natuurtalenten, maar ook zij hadden te kampen met een gebrek aan goede gag writers. Johnny & Rijk gebruikten vooral materiaal van het Britse duo Morecambe & Wise en ook de Mounties maakten doorgaans gebruik van bestaand materiaal, dat door Van Vooren uit het Engels werd vertaald en voor het Nederlandse publiek aangepast.

Wie de sketchjes voor Gaston & Leo schreef, weet ik niet. Misschien deden ze het zelf en waren ze, zoals veel komieken, betere uitvoerders dan bedenkers. Hoe groot het talent van Berghmans was, bleek wanneer hij toevallig wèl goed materiaal in handen kreeg; de bekendste sketch kent iedereen als Joske Vermeulen, Trammezandlei 122, in Schoten. Berghmans speelt daarin een kind dat alleen thuis is en de telefoon opneemt, met uiterst bizarre gevolgen. De sketch werd zo populair dat er op 15 juni 2009 een standbeeld van de kleine Joske werd onthuld. Het probleem was alleen waar dat standbeeldje moest komen staan: de Trammezandlei ligt namelijk niet in Schoten, maar in Merksem*. Er werd gekozen voor een typisch Belgisch alternatief: het beeld kwam in Merksem te staan, maar niet in de Trammezandlei. Wie Joske wil zien, moet op het Victor Roosenplein zijn.

Noot:

* Een aardig detail is dat Berghmans werd geboren in Merksem, en overleed in Schoten

En natuurlijk nog één keer JOSKE:







zaterdag 5 december 2015

De God in ons allen




DE GOD IN ONS ALLEN

- Bedenkingen bij een klimaattop -


# Moeders wil is wet

Van oudsher wordt de filosofie de moeder van de wetenschappen genoemd, maar deze eretitel komt eigenlijk toe aan de natuurkunde. Naast kennis over de natuur, schenkt deze moeder ons namelijk ook:

- kennis over het na-turen
- kennis over het natte uur

Een moeder die van alle markten thuis is en meer te bieden heeft dan je op grond van haar naam zou vermoeden. De vraag is of zij, zoals veel moeders, ook de baas is in huis. Is haar wil wet?

Volgens Barbara Debusschere wel. In De Morgen van 29 November jongstleden, schreef zij:

"Besparen we onszelf de meest vernielende effecten van een ontwrichting die bijna iedereen bedreigt, of kiezen we ervoor domweg door te gaan met ons enige huis opbranden? Ons antwoord moet nu vallen, want hierna nemen de wetten van de natuurkunde het over en hebben we niet meer te beslissen."

Barbara ...
Vernielende effecten en ontwrichting. Als het niet over de islam gaat, zal het wel over het klimaat gaan, want over die twee zaken gaan tegenwoordig nagenoeg alle discussies. Het zal duidelijk zijn dat Barbara in de discussie aan de kant staat van de alarmisten: de 'we' in haar tekst zijn de politici die in Parijs samen komen voor een zogenaamde klimaattop, alwaar ze tot een akkoord hopen te komen. Barbara spoort ze aan om haast te maken met dat akkoord, want als ’we’ nu niets doen, nemen natuurwetten het van 'ons' over en zijn we de klos.

Het vreemde is dat je uit haar tekst zou kunnen opmaken dat Barbara denkt dat de wetten van de natuur pas in werking treden indien er in Parijs geen akkoorden worden gesloten. Hoe zit het dan nu met die wetten? Zijn ze tijdelijk buiten werking gesteld? Vermoedelijk bedoelt ze iets heel anders (ik kom daar nog op terug), maar niettemin: Wat zijn dat nu eigenlijk, die natuurwetten, of zoals zijzelf het uitdrukt: de wetten van de natuurkunde?


# Natuurwetten bestaan niet

Ik heb eens een lezing bijgewoond van de bekende astrofysicus Vincent Icke. Die wist zijn gehoor - bestaande uit studenten aan een Technische Universiteit plus genodigden - te verbluffen met de mededeling:

"Natuurwetten bestaan niet."

Natuurwetten zijn niets anders dan regelmatigheden die natuurkundigen hebben vastgesteld, aldus de astrofysicus. Het woord ’wet’ was misleidend, want een wet veronderstelt een wetgever, en in de natuur had niemand het voor het zeggen. De Wet van Archimedes werd zo genoemd omdat hij als eerste had vastgesteld dat als een lichaam geheel of gedeeltelijk wordt ondergedompeld in een vloeistof, een opwaartse kracht ondervindt die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. Omdat hij de ontdekking deed, en het verschijnsel treffend had verwoord, droeg de ’wet’ zijn naam. Hij had de wet niet uitgevaardigd, zoals Halley enkel het gedrag van de naar hem genoemde komeet had beschreven, maar de komeet niet door het universum had gestuurd.

Vincent ...

# De God in ons allen

Het toeval wilde dat korte tijd na de lezing van Icke een forumdiscussie bijwoonde over het bestaan van God en alles wat daarmee samenhing. Er waren vier deelnemers, maar de discussie werd volledig gedomineerd door twee van hen, de bioloog Maarten 't Hart en de econoom en publicist Eduard Bomhoff (hij zou korte tijd daarna minister van volksgezondheid worden in het eerste kabinet Balkenende). Maarten en Eduard zijn beiden opgevoed in een strengprotestants milieu en zelfs enige tijd jeugdvrienden geweest, maar Maarten viel van zijn geloof en Eduard niet. Toen de discussie dreigde te ontsporen (Eduard begon gevaarlijk rood aan te lopen) wilde Maarten zijn vroegere vriend wel enigszins tegemoet komen: Goed, het bestaan van een God kon hij zich nog wel voorstellen, maar geloofde Eduard echt dat Jezus was opgestaan uit het graf? Dat was namelijk compleet in strijd zijn met al onze kennis van de natuur. Bomhoff liet zich niet uit het veld slaan. Ja, hij geloofde dat echt, de natuurwetten waren immers ingesteld door God, en aangezien Hij ze had ingesteld, moest Hij ook in staat worden geacht om ze tijdelijk op te heffen. En dat had Hij blijkbaar gedaan, op die bewuste vrijdagmiddag in het jaar 33.

... en Eduard
Het lijkt onwaarschijnlijk dat Barbara gelooft dat God de natuur voor even op non-actief heeft gesteld, zodat wij het nodige onderhoud kunnen plegen. Het geloof van Eduard Bomhoff deelt ze vermoedelijk niet. Wat ze wil zeggen is dat het vijf voor twaalf is, of zelfs al later: de wereld staat op het punt om onleefbaar te worden, en dit is onze laatse kans om handelend op te treden. Met geloof, zo zal ze verklaren, heeft dat alles niks te maken, haar beweringen hebben een onwrikbare wetenschappelijke basis. Toch laat haar boodschap zich gemakkelijk herleiden tot een religieuze onheilstijding. Mensen die aanbellen met de boodschap dat de wereld naar de verdommenis gaat, sporen hun gehoor altijd aan om zich zo snel mogelijk te bekeren, dat wil zeggen: nu, nu het nog kan, niet over een paar jaar, want dan is het onherroepelijk te laat. Uiteindelijk zijn we allemaal kinderen die een onheilspellende religieuze taal spreken. De God in ons allen. En vroeg of laat krijgt een van ons gelijk, want ooit zal de wereld vergaan.

Op naar de Klimaat-Top!


http://www.demorgen.be/opinie/ons-antwoord-moet-nu-vallen-hierna-nemen-de-wetten-van-de-natuurkunde-het-over-b64adbc7/